• info@vvneerbeek.com
  • 046-4379154

Geschiedenis RKVV Neerbeek

Tijdens ons 25-jarig jubileum is er een prachtig boek verschenen, dat mede is samengesteld door de heer Keydener. Wij danken hem voor deze geste en zijn ook dankbaar dat we gebruik mogen maken van zijn auteursrechten om deze herinneringen te mogen delen met onze leden, ouders, vrijwilligers en op deze manier de mensen kunnen laten lezen wat de voetbalvereniging Neerbeek voor ons kerkdorp Neerbeek betekent.

Voetbal in Neerbeek 1924

Het huidige RKVV Neerbeek is inmiddels de derde voetbalvereniging in ons kerkdorp sinds de beginjaren twintig vorige eeuw. De oprichters van toen en mannen van het eerste uur waren: Sjo Schols, Sjaak Brands, Sjeng Hendriks en Sef Janssen en enige tijd later kwamen er nog enkele bestuurders bij. VVN beschikte toen over twee elftallen, die uitkwamen in de Rooms katholieke Limburgse Voetbalbond (RKLVB). Het eerste elftal speelde na twee promoties en via kampioenschappen in de eerste klasse. Tegenstanders uit die tijd waren: SVM Munstergeleen, RKIVS Berg aan de Maas, Urmondia Urmond, Geulsche Boys en Wilskracht Lindenheuvel. Vervolgens namen beide elftallen deel aan seriewedstrijden en toernooien. Ook beschikte VVN over een jeugdleider in de persoon van schoolmeester Weekers. In die tijd waren er geen jeugd-wedstrijden en speelde de jeugd onderling hun wedstrijden. In de jaren dertig vestigde zich de familie Spauwen in Neerbeek en werd meteen hofleverancier van VVN. De familie Franssen leverde al enkele jaren een drietal spelers: Math, Sef en Huub, die alle drie in het eerste elftal speelden. Familie Spauwen leverde Bér, Eduard, Sjo en Albert en zij speelden volgens zwager Lambert Proosten niet onverdienstelijk. Proosten zelf vond het voetbalspel leuk, maar was zelf nooit actief. Bij de kerk, op de Kwattel of Spaubeekerstraat ging hij regelmatig kijken. Hij tastte zijn geheugen verder af en vertelde: “Maar toen de tweede wereldoorlog uitbrak, stelde het voetbal nog maar weinig voor. Velen werden opgeroepen voor de mobilisatie, maar blijven we nog even stilstaan bij de beginjaren van het Neerbeekse voetbal. De eerste bal rolde in de wei van boer Huub Stassen aan de Aldenhofstraat, een door koeien bescheten weiland, hobbelig en hoog gras, een plek waarop de hedendaagse voetballer niet uit de voeten kan”.

Clublokaal

In de periode dat VVN op de Kwattel en aan de Spaubeekerstraat voetbalde, was het clublokaal in café Dohmen. Harrie en Nol Dohmen speelden in het eerste elftal vanaf de oprichting. Na enkele jaren belandde de vereniging in de Gewanden aan de overkant van de rijksweg. Op de plek waar VVN triomfeerde, liggen nu de loodsen van DSM en aanverwante bedrijven. Verder is er heel weinig bekend over her verleden van VV Neerbeek. Enkele vergeelde foto’s herinneren ons hieraan. Gelukkig kwam er een verlossend telefoontje van Netta Franssen-van Eijs, woonachtig aan de Burgemeester Lemmensstraat in Geleen. De krasse theedame van VVN, toen op weg naar haar negentig levensjaren, vertelde ons een schitterend verhaal. Zij was de dochter van clublokaal-houder Franssen aan de Haardboom en zus van de voetballende broers Franssen. Het clublokaal van toen lag tegenover de Haardboomstraat en de smidse van Sef Janssen aan de Rijksweg.

Haar relaas: “De voetbalclub had bij ons in het café het clublokaal. Als ze een thuiswedstrijd speelden, sjokte ik met de thee door de hei. Dan had ik een grote korf in de arm gevuld met bekers, in de andere hand de kan met warme thee. Dat deed ik met alle plezier. Ik was toen nog jong en vond voetbal leuk. Bovendien voetbalden mijn drie broers in het eerste elftal en was ik een vurige supporter van hen. Dat deed ik om de veertien dagen bij de thuiswedstrijden in de rust. Ik bleef tot het einde en nam dan de vuile shirtjes en broekjes mee om te wassen. Die werden dan bij ons thuis achter op het plein gewassen. Als ik mij goed herinner, waren de kleuren toen blauw en wit. Verder herinner ik me nog dat ze in gestreepte shirtjes hebben gevoetbald. Het wassen was altijd een heel karwei. We stopten het wasgoed in een grote wasteil en dan maar roeren totdat het water kookte. Vervolgens schrobben over een wasbord tot alles kraakhelder was. Ik vond het een fantastische tijd met de voetbalclub. Onze Mathieu was de beste van de drie broers….”

“Ik weet nog goed toen Quick uit Geleen, een club uit Sittard en zelfs Caesar bij ons aanbelden en vroegen of Mathieu bij hun wilde komen voetballen. Gelukkig bleef Mathieu bij Neerbeek. Daar was het volgens hem veel gezelliger. lk weet het nog zo goed. Kwamen de jongens terug van een uitwedstrijd, dan had moeder de tafel gedekt en was er voor de jongens koffie en vlaai. We slachtten thuis altijd een aantal varkens per jaar en dan weet je wel wat er los was. Op diverse kamers hingen de schinken en droogworsten aan het plafond en dan gaf ik de spelers wel eens de sleutel van de droogkamer en werden snel een paar worsten of een schink gepikt en bij een glas bier verorberd. Ook hielden we voor de club mosselfeesten. De spelers kwamen dan zelf de mosselen schoonmaken en ze werden door moeder altijd verwend. Met die voetballers spookten we toen van alles uit. Kwaadaardig waren we niet. Daar wilden ze thuis niets van weten. Ik vond het jammer dat wij -ik was toen 17 jaar- uit Neerbeek vertrokken. In 1930 werd het eerste elftal kampioen en vervolgens nog in de jaren 1933 en 1934. Dan heb ik nog een verrassing voor jullie. Ik zal aan de telefoon het clublied zingen, in het dialect. Dat is gemaakt toen Neerbeek voor de derde keer kampioen werd.”

Vervolgens vertelde ze: “Neerbeek had ook al een buitenlandse speler. Dat was een zoon van een Duitse mijnopzichter, die op de Kerensheide woonde en werkzaam was als opzichter op staatsmijn Maurits in Geleen. Voor het uitbreken van de oorlog moest de familie Graefer weer terug naar Duitsland. Tijdens de oorlog is hij in uniform nog bij ons op bezoek geweest.” Door toeval viel een achterhaalde ledenlijst uit de periode 1924-1939 ons in handen. Opmerkelijk was dat Neerbeek ook een periode zelfs met twee buitenlanders speelde. De spelers van toen: Sjeng Pinckx, Sef Franssen, Ceryl Strijdonk, Curt Gunther (Duits), Sjeng in ’t Panhuis, Sjeng Hamers, Math Vranken, Meister Weekers, Lambert Proosten, Muijtjens, Sjaak Brands, Peter Heutmekers, Sjo Spauwen, Nol Dohmen, Harrie Dohmen, Servaas Kersemakers, Sef Paumen, Gielke Jaspers, Sjir Tummers, Pie Schrijen, Sef Senden en Paul Graefer (Duits).

De oprichting van RKVV Neerbeek in 1948

De achterkamer van het woongedeelte van café Paumen… Een verlengstuk van de keuken was de plek waar op een late dinsdagavond heftig gebakkeleid werd over een nieuwe voetbalclub in Neerbeek. Dat was in de maand mei in 1948. Mannen die kort na de tweede wereldoorlog het initiatief namen, waren: Lambert Luten, Jef Nijsten, Sjaak Brands, Jaak Herben, Pierre Wilms, de heren Vrehen, Dohmen en Joep Senden. Als elftalleider werd Sjo Schols aangesteld. Zij waren het eens geworden dat er in Neerbeek weer gevoetbald moest worden. Café Paumen werd clublokaal en de wei ernaast was het bergaf lopende voetbalveld. De oude club was kort voor de oorlog opgeheven en Neerbeek was jarenlang voetballoos geweest.

Meevallertje

In het oprichtingsjaar bracht VV Neerbeek twee elftallen op de been. Dat was in het seizoen 1948-1949. De beide elftallen kwamen uit in de derde klasse van de afdeling Limburg. Vervolgens kreeg de nieuwbakken voetbalvereniging een jaar later van de voetbalbond afdeling Limburg dispensatie en mocht het eerste elftal in de tweede klassen aan de competitie beginnen. De reden van het KNVB besluit was, dat de voetbalbond het niet toestond om met drie elftallen in de derde klasse aan de competitie te beginnen. Dus een meevaller…

1950-1954

Deze jaren bleef VV Neerbeek meedraaien in de top vijf. Afwisselend met kansen op een kampioenschap, dan weer als een goede middenmoter. Wat betreft spelersmateriaal zat VV Neerbeek in de tang tussen Quick ’08 uit Geleen en het Beekse VV Caesar. De betere spelers vertrokken uit Neerbeek en vonden onderdak bij één van de beide zusterverenigingen. Opvallend was dat de club in de slotfase van de competitie afhaakte, maar uit de buurt van degradatie bleef.

1958-1959

In het seizoen 1958-1959 leek het weer te lukken. Met één been stond Neerbeek in de vierde klasse van de KNVB competitie. Eindelijk weg uit die onderafdeling. Speltechnisch en qua veldspel was Neerbeek rijp voor de vierde klassen. De club had inmiddels een straatlengte voorsprong aan punten. Eigenlijk was het ‘kat in ’t bakkie’. Dat duurde voort totdat Schinveld kwam opdraven, want tegen deze tegenstander begon het Waterloo. Er werd met 4-1 verloren en het was met de hegemonie van Neerbeek afgelopen. Binnen de kortste keren was de riante voorsprong geslonken en opnieuw viste Neerbeek achter het net. De oorzaak van de teruggang van het eerste team in de slotfase, was onbegrijpelijk. Wil Luten, die toen deel uitmaakte van de selectie, on het nu na al die jaren nog niet bevatten.

Het einde naderde

In de volgende jaren was het sprokkelen wat de punten betrof. Intussen was door Meister Nijsten handbalclub Blauw-wit opgericht. En werd de voetbalclub naar de achtergrond verdrongen. Midden jaren zestig zette het verval van de voetbalclub verder door en werden spelers van buiten Neerbeek aangetrokken. Echter door een fusie met Blauw-wit was VV Neerbeek beschadigd en de opgelopen schade was niet meer te repareren. Nijsten, inmiddels voorzitter van beide verenigingen, zette de flirt met de handbalclub voort. VV Neerbeek kreeg bovendien te weinig respons van de mensen die de kar moesten trekken.. Toen lag het meeste werk op de schouders van Marcel Lemeer. Het is niet correct om te zeggen dat allen de fusie oorzaak was van de teloorgang van VV Neerbeek. Het adopteren van de afdeling handbal was eigenlijk een noodoplossing, die al bij voorbaat was mislukt. De fusie met Blauw-wit vond plaats in de zaal Paumen aan de rijksweg. Tijdens deze zeer luidruchtige vergadering werd besloten voor de fusie van beide sportverenigingen. Een aantal spelers van VV Neerbeek voorspelden toen al dat dit de ondergang van VV Neerbeek zou worden. Wijze woorden, die enige tijd later waarheid werden. De voetbalclub kreeg met moeite spelers bij elkaar voor het eerste elftal. VV Neerbeek stond in de schaduw van het handbal en bleef alleen achter.

Voetbal was voorlopig voorbij in Neerbeek. Hoewel Sef Senden, Jaak Herben en Jaak Brands nog probeerden om de fusie tegen te houden, waren al hun pogingen tevergeefs. Intussen was al een aantal spelers vertrokken naar Caesar of elders. Neerbeek liep leeg. De strijd om het voortbestaan was ongelijk. De laatste man op het zinkende schip was Marcel Lemeer. Hij verliet als laatste de kleedkamers, nadat hij het vreemdelingenlegioen waaruit VV Neerbeek nog bestond, bedankt en uitgezwaaid had. Daarna volgde voor hem de moeilijke gang naar de KNVB om VV Neerbeek in de registers door te laten halen. Voorzitter Nijsten van Blauw-wit maande Wim Hensgens alsnog om over te stappen naar zijn vereniging, maar deze gaf te kennen dat hij het bij voetbal hield. Bovendien, zo meldde bestuurslid Cor Vorstenbosch, ging het VV Neerbeek financieel ook niet voor de wind. De nalatigheid in het betalen van de contributies leidde tot financiële problemen en dit was de enige bron van inkomsten.

De clublokaalhouder had ook geen vetpot aan de voetbalclub, die nauwelijks nog elf spelers op de been kon brengen. Blauw-wit nam het sportieve roer over en werd de vaandeldrager van Neerbeek, bijgestaan door een grote supportersschare onder de naam klompenclub. Zij waren in blauw getooid en liepen op blauwwitte klompen. In de volgende jaren werd de handbalclub de Neerbeekse ambassadeur in het buitenland. Na het ontbinden van VV Neerbeek na een tweede aanloop, volgde in Neerbeek een voetballoos tijdperk van bijna acht jaar. Neerbeekse jongeren gingen in de buurgemeenten voetballen of kozen voor andere sporten.

Het was het voorjaar van 1978 dat, aangevangen aan de bar van het gemeenschapshuis, de vraag naar voetbal in Neerbeek weer ter sprake kwam.